De ijstijden vormden het landschap

Tweeëneenhalf miljoen jaar geleden begonnen de ijstijden. In dit tijdperk wisselden koude en warme perioden elkaar af.

Zo’n 200.000 jaar geleden, tijdens de Saale-ijstijd werd het weer koud op aarde. In Scandinavië begon een enorme massa ijs zich op te hopen waaruit geleidelijk gletsjers ontstonden. Door de aanhoudende kou verdampte het zeewater en werd opgeslagen in de ijskappen die wel tot drie kilometer dik waren. De zeespiegel daalde waardoor de Noord- en Oostzee droog kwamen te liggen. De uitdijende ijsmassa kwam langzaam in beweging richting ons land.

Het ijs duwde als een bulldozer het materiaal dat door zee en rivieren was afgezet op tot heuvels die ook wel gaasten worden genoemd.

Gletsjertongen van wel 200 meter dik schoven voor de ijsmassa uit.  Met de gletsjer werd een mengsel van grote en kleine stenen en zand en leem meegevoerd. Onder het zware ijspakket werd dit mengsel gekneed en vermalen. Hardere gesteenten konden dit langdurig verpulveren overleven maar de zachtere gesteenten werden in vermalen toestand vermengd met klei en zand. Er ontstond een taaie lemen  massa met daarin hunebedstenen, zwerfstenen, vuurstenen en grind (in het Fries: balstienliem). Deze leemmassa werd aan de voorkant van de gletsjer vooruit geschoven aan de zijkanten afgezet. Daar vormde ze verhoogde ruggen (morenen)

In Zuidwest Friesland zijn zo drie heuvelruggen gevormd: de hoogten van Koudum, die van Scharl/Molkwerum en het hooggelegen gebied tussen Hemelum en Tjerkgaast. Dat laatste boogvormige gebied zet zich in noordoostelijke richting voort naar de zanderige streek rondom Sint-Nicolaasga en verder richting het Drentse plateau.

Een van de gletsjertongen vormde een gletsjerdal, een langgerekt bekken waar zich nu het Heegermeer, de Fluessen en de Morra bevinden. Aan de zijkanten van dat gletsjerdal vormde zich morenen.  Aan de noordkant ligt de hoge rug van Koudum en aan de zuidkant die van Harich. En dwars op de lengterichting van het dal ligt de rug van Warns, dit is een eindmorene die aangeeft tot waar de gletsjer aan toe kwam.

De ijsmassa kwam uiteindelijk tot halverwege Nederland. Zo ontstonden o.a. de heuvels van de Veluwe en in later stadium de heuvelruggen in Overijssel. Soms trok het ijs zich tijdelijk terug en schoof dan weer over al gevormde heuvelruggen heen. In een nog later stadium had het ijs zich teruggetrokken en kwam op de lijn Texel, Wieringen, Gaasterland, Steenwijk te liggen.

Na deze koude periode van de Saale-ijstijd werd het ongeveer 125.000 jaar lang weer warmer. Het ijs smolt, de zeespiegel steeg en de Noordzee vulde zich weer met water. Ook de planten- en dierenwereld herstelde zich. Tijdens deze Eem-periode ontstond er op de plaats van het IJsselmeer ook een zee, de Eemzee.

Omstreeks 80.000 jaar geleden begon de voorlopig laatste ijstijd, het Weichselien. Weer raakte Noor-Europa bedekt met een ijskap. Het landijs bereikte Nederland niet, maar er heerste hier wel een ijzig toendraklimaat. De eerste mensen verschenen en dieren als mammoet, reuzenhert, steppenwisent en sabeltandtijger bewoonden het land.

Het niveau van de Noordzee daalde opnieuw en het was mogelijk om over land Engeland te bereiken. In het kale poollandschap kreeg de wind gemakkelijk vat op de onbeschermde bodem. Door de wind werden grote massa’s zand verplaatst en Nederland raakte vrijwel helemaal bedekt met een deken van zand. Ook de Gaasterlandse heuvelruggen raakten bedolven alhoewel het hier maar een relatief dunne laag was. Maar de streek ontleent er wel zijn naam aan, want ‘gaast’ betekent zandig hoogte.

Op andere plekken vormden zich lage duinen. Tussen Oudega en Langweer ligt zo een bijna 20 kilometer lange rug van dekzand.

Omdat er sprake was van permafrost raakte alleen tijdens de zomer de bodem ontdooid. Het smeltwater van de sneeuw kon niet wegzakken in de bevroren ondergrond. Op de hellingen van de stuwwallen begon water langs de stuwwallen naar beneden te stromen. Op sommige plaatsen concentreerde het water zich in geultjes die zich steeds verder insneden en er ontstonden smeltwaterbeken. De gaasten erodeerden daardoor en werden lager. Door de zanddeken raakten de dalen van de smeltwaterbeken gevuld met zand.

De laatste fase van de natuurlijke ontwikkeling van dit gebied begon ongeveer 10.000 jaar geleden tijdens de overgang van het Weichselien naar het Holoceen. In deze overgangsperiode naar een milder klimaat steeg de zeespiegel weer, net als het grondwaterniveau. De toendra’s verdwenen en de stormen, die verantwoordelijk waren geweest voor de afzetting van dekzand, kwamen tot rust. Er kwam weer plantengroei. Er begonnen grove dennen en berken te groeien en later kwamen daar de loofbomen bij. In deze periode werden veenlagen gevormd en de lage delen van Nederland raakten langzaamaan bedekt met veen. Ook de Zuidwesthoek verdween grotendeels onder een veenpakket. Maar het hoger gelegen Gaasterland werd een eiland te midden van veengebieden.

De zeespiegel steeg verder en omstreeks het begin van de jaartelling overstroomde het water het gebied ten westen van Bakhuizen-Koudum waarbij een laag klei werd afgezet.

Aan de zuidkant van het gebied verdween het veenpakket in de loop van de tijd door de golfslag van het Flevomeer. Dit meer werd steeds groter en kreeg tussen 1000 en 1200 een open verbinding met wat nu de Waddenzee is. Aan het eind van de Middeleeuwen was het veen tussen Enkhuizen en Stavoren helemaal weggeslagen. Tot in de 17e eeuw werd de verbinding met de Waddenzee steeds ruimer, waardoor de Zuiderzee ontstond.

Omstreeks de 14e eeuw ontstonden de grote wateroppervlakten van het Heegermeer, de Fluessen en de Morra, toen grote overstromingen het veenpakket aantastten en een aantal kleine meren en ondergelopen gebieden aaneengesloten raakten.

Intussen had de mens zich in het gebied gevestigd en ging daarna door middel van inpolderingen, ontginningen en bedijkingen het landschap verder vormgegeven.

 

Duizend jaar geleden vormden Friesland en de kop van Noord-Holland één geheel. Aan het eind van de eeuw komt de naam Sudersee al voor wat zee ten zuiden van Friesland betekende.

Daarvoor was er het Flevomeer, een meer met zoet water dat werd gevoed door verschillende rivieren zoals de IJssel en de Vecht. Het lag onder de lijn Stavoren -Enkhuizen. Daar boven was land dat bestond uit veen, klei en zand.

Tussen Stavoren en Enkhuizen bevond zich een ondiepte. Daar was vroeger een bosrijke streek waar de Hollandse graven vanuit Medenblik en de Friese edelen vanuit Stavoren gingen jagen. Dit bos was eigendom van Gale Iges Galema.

Rondom het Flevomeer lagen de dorpen Ruthne, Nagele, Marcnesse, Emelwerd en Urk. Het klooster Sint Odulfus van Stavoren had er kapellen. De dorpen en de kapellen verdwenen toen de Zuiderzee ontstond door stormvloeden die land rondom het Flevomeer wegsloegen, behalve Schokland en Urk

 

Wanneer de eerste bewoners naar zuidwest Friesland kwamen is onbekend. Toch moeten er al tijdens de ijstijden mensen hebben rondgezworven in het gebied. Verschillende vondsten in het gebied waaronder een kernbijltje in Hemelum in 2000, wijzen erop dat er zo’n 100.000 jaar geleden groepen mensen rondzwierven. Waarschijnlijk gebruikten ze dit gebied als jachtgebied.

Er zijn sporen aangetroffen die aantonen dat er vanaf zo’n 13.000 jaar geleden bewoning was op de hoge zandgronden in zuidwest Friesland. In 1971 werden er bij de aanleg van de weg Balk-Koudum nabij Kolderwolde twee ateliers van vuursteenmakers gevonden die behoren bij de Hamburgcultuur (11.000 tot 9.600 voor de jaartelling). Deze mensen worden rendierjagers genoemd. Er werden verschillende vuurstenen voorwerpen tevoorschijn zoals stekers, krombekstekers en krabbers. Dit waren gebruiksvoorwerpen die nodig waren voor de jacht en het verwerken van de buit. De beide ateliers lagen ongeveer honderd meter uit elkaar. De toenmalige bewoners zwierven door het land en leefden van de jacht, de visvangst en het verzamelen van planten.

Kort daarna werden er vlakbij ook sporen van de Tjongercultuur gevonden. Deze mensen leefden van ongeveer 9600 tot 9200 voor Christus. Omdat het klimaat steeds milder werd en de vegetatie veranderde, kon het wildleven zich ook ontwikkelen. De mensen van de Tjongercultuur hadden hierdoor een gevarieerd menu. Ze leefden waarschijnlijk in groepjes van dertig tot vijftig individuen. De groepen hadden een jaarlijkse rondgang langs seizoenkampen, die niet verder dan 100 tot 200 kilometer van een vast kamp lagen. Ze jaagden onder meer op rendier, ree, wisent, oerrund, sneeuwhaas, das en bever.

In 1969 werd bij Warns aangetoond dat er bewoning was in de midden-steentijd, die duurde van 8800 tot 4900 voor onze jaartelling. Hier, en later ook op andere plekken vonden archeologen sporen van kampementen en werktuigen van vuursteen.

Later, tijdens de nieuwe steentijd (4900 tot 2000 v Chr.), ging de mens langzaam over van jacht en voedsel verzamelen naar de landbouw. Volgens recente inzichten is dit het gevolg van de bevolkingsgroei. Bij jacht en visvangst is een bevolkingsdichtheid van hooguit één persoon per honderd vierkante kilometer nodig. Bij primitieve landbouw en veeteelt heeft één persoon genoeg aan één vierkante kilometer.

Door de keuze voor het verbouwen van voedsel was van een permanente bewoning een logisch gevolg, de akkers moesten immers worden bewerkt en de oogst moest worden binnengehaald en opgeslagen voor de winter. Het bouwen van vaste onderkomens, het houden van huisdieren en het bewaren en bereiden van voedsel en dus het gebruik van aardewerk, zijn typische kenmerken van de nieuwe steentijd.

 

 

 

 

Stuwwallenlandschap

Je titel komt hier

Your content goes here. Edit or remove this text inline or in the module Content settings. You can also style every aspect of this content in the module Design settings and even apply custom CSS to this text in the module Advanced settings.